Quarantainetijd

Het zal nog even duren voor we weer kunnen samenkomen in onze kapel. Daarom biedt deze site regelmatig gedachten die de quarantainetijd overbruggen.

Vandaag, 22 maart, staan 2 verhalen op het programma. Het eerste gaat over Samuel (1 Samuel 16)

1 De HEER vroeg aan Samuël:
‘Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar Isaï in Betlehem,
want een van zijn zonen heb ik als koning uitgekozen.’

6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab,
en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven.
7 Maar de HEER zei tegen Samuël: ‘
Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen.
Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’

10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuël voor,
maar telkens zei Samuël dat dit niet degene was die de HEER gekozen had.
11 ‘Zijn dit alle zonen die u heeft?’ vroeg hij.
‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’
Toen zei Samuël tegen Isaï:
‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’
12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen.
En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’
13 Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers.
Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER.

Voor wie meer wil: het tweede verhaal komt uit Johannes 9.
Hier kun je de preek van Mark Butaye, Dominicaan, bekijken. De tekst van Johannes staat eronder.

Johannes 9, 1-41
1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was.
2 Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
3 ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.
4 Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen.
5 Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’
6 Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde
7 en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

8 Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’
9 De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’
10 Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’
11 Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’
12 Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.

13 Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de Farizeeën.
14 De dag dat Jezus modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk een sabbat.
15 Ook de Farizeeën vroegen hoe het kwam dat hij kon zien. En weer vertelde hij: ‘Hij heeft wat modder op mijn ogen gedaan, ik heb me gewassen en nu kan ik zien.’
16 Sommige Farizeeën meenden: ‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat,’ maar anderen zeiden: ‘Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?’ Er ontstond verdeeldheid.
17 Daarop vroegen ze aan de blinde: ‘Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij genezen heeft.’ ‘Hij is een profeet,’ was zijn antwoord.

18 Maar de Joden wilden niet geloven dat hij blind geweest was en nu kon zien. Ze riepen zijn ouders
19 en vroegen hun: ‘Is dat uw zoon die blind geboren zou zijn? Hoe kan hij dan nu zien?’
20 ‘Dit is onze zoon,’ zeiden zijn ouders, ‘en hij is blind geboren, dat weten we zeker.
21 Maar hoe hij nu kan zien, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.’
22 Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de Joden, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen die Jezus als de Messias zou erkennen uit de synagoge zouden zetten.
23 Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen.

24 Toen riepen ze de man die blind geweest was weer bij zich. ‘Geef Gód de eer,’ zeiden ze, ‘die man is een zondaar, dat weten we toch.’
25 ‘Of hij een zondaar is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien.’
26 Ze drongen aan: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’
27 ‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms leerling van hem worden?’
28 Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes.
29 Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’
30 De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend heeft.
31 We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet.
32 Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden – dat is nog nooit vertoond!
33 Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’
34 Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg.

35 Jezus hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’
36 ‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in hem geloven,’ zei hij.
37 ‘U kijkt naar hem en u spreekt met hem,’ zei Jezus.
38 Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij boog zich voor Jezus neer.
39 Jezus zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’
40 Een paar Farizeeën die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden: ‘Wij zijn toch zeker niet blind!’
41 ‘Was u maar blind,’ zei Jezus, ‘dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw zonde.’