Met Markus en Deuteronomium

By 31 januari 2021februari 27th, 2021Quarantainetijd

De kerken blijven nog een tijdje gesloten, maar dat houdt ons niet tegen om uit de bijbel te lezen en om te overwegen.
Hieronder de lezingen van 31 januari en een overweging van Mark Butaye, dominicaan.

Marcus 1, 21-28
21 Jezus en zijn leerlingen  gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. 22 Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. 23 Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: 24 ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ 25 Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ 26 De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw. 27 Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’ 28 Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.

Deuteronomium 18, 15-20
Mozes sprak tot zijn volk: 15 de HEER zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. 16 U hebt de HEER daar immers zelf om gevraagd, toen u bij de Horeb bijeen was? U zei: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de HEER, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.’ 17 De HEER heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken. 18 Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag. 19 Wie niet wil luisteren naar de woorden die zij in mijn naam spreken, zal ik ter verantwoording roepen. 20 Maar als een profeet de euvele moed heeft om in mijn naam iets te zeggen dat ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’

Een onderricht met gezag                                                         
Markus 1,21-28  en Deuteronomium 18, 15-20

“Ze waren verrast door zijn onderricht, want hij leerde als iemand die gezag uitstraalt, en niet zoals de schriftgeleerden”. ( Mk., 1, 21)

Dat klinkt veelbelovend, vooral in het begin van een evangelie. Nochtans waren er in die tijd ook schriftgeleerden met gezag. Hun namen zijn bekend tot op vandaag. Discussies van wijzen, denkers, geloofsdemocratie avant-la-lettre.  Sommigen vormden ‘scholen’ – tradities binnen het Hebreeuws-joods geloofsgoed. Schrijft Markus hier in zwart-wit termen? Beoefent hij een gemakkelijk retorisch procedé van evidente tegenstellingen, zwart-wit zoals de kleuren van de Dominicanen, … “Wie niet voor mij is, is tegen mij”?

Wat is dus dit ‘gezag’ van Jezus ? En veronderstel dat wij het kunnen definiëren, het kunnen ontbolsteren… zou het dan ook geschikt zijn om ons te leiden ?

De keuze van de lezing uit Deuteronomium 18 is een eye-opener, vind ik, bijzonder behulpzaam voor onze vraag over onderwijzen met gezag. De eerste zin reeds, 18,15 opent alle vensters die Paus Johannes XIII wilde opengooien met de bijeenkomst Vaticanum II. Mozes zegt aan zijn volk :

“ Uit uw midden, onder uw eigen broeders, zal de Heer uw God een profeet doen opstaan, zoals ik dat ben en gij zult naar hem luisteren.”

 Was het – vooraf aan dit woord van Mozes – misschien nog niet officieel, dan nu in ieder geval: de leek doet zijn intrede als gids en inspirator voor het gelovige volk. Iemand uit het eigen volk.  Hij zal profeet zijn, zoals ik, Mozes. En hij zal spreken met gezag, want “gij zult naar hem luisteren”. “Gij zult naar hem luisteren is geen gebod of verplichting. Het is een vaststelling: jullie zullen geraakt worden door zijn woord.

De intronisatie van de leek die leidt en inspireert, die Gods woord in het midden legt, is bovendien het antwoord van God op de vraag van het volk.  Zegt Mozes.  Heel merkwaardig en vol van betekenis. De vraag van het volk was gerechtvaardigd. De vraag wordt ‘verhoord’, zouden wij zeggen. Want het volk wist zich gevangen tussen twee pistes die, geen van beide, uitzicht of antwoord boden op hun verwachtingen.

Wat zijn die twee pistes, die de Hebreeën afwijzen omdat ze hen blokkeren en wat zijn hun verwachtingen ? De verzen in Deuteronomium die voorafgaan aan de passus van vandaag, schenken klaarheid. Om te leven ‘naar de toekomst’ ( = de verwachtingen) was het volk niet gediend met wat ik noem: “ het traditionele onderricht – de traditie”.  Die traditie bestond uit een geheel van praktijken en gebruiken die pretendeerden de toekomst te kunnen duiden. Ik citeer:  ‘waarzeggerij, geestenbezwering, mantiek of tovenarij, orakels, bezweringen, je zoon of dochter door het vuur laten gaan’ ( Deut.18, 9-11). Wat onder de naburige volken praktijk was, moet blijkbaar ook bij de Hebreeën  geleefd hebben. Een traditie die zijn betekenis heeft verloren, die niet tegemoet komt aan de actuele wereld. Dat weiger je.

De tweede piste is nog veel opvallender. De Hebreeën willen niet langer een rechtstreekse verhouding hebben met God. Zij zijn de rechtstreekse tekenen van God in hun midden beu: de vlam, het vuur, de wolk. Het numineuze.  Dat verwerpen zij.

E. Levinas bevestigt dat deze tendens voor gelovige joden – en we mogen dit uitbreiden – uiterst gevaarlijk is. Het leidt tot beslag leggen op, tot toe-ëigening, tot uitwassen en  fantasieën. Dit  beantwoordt niet aan gelovige instelling waarin hij staat. ‘In God-zijn’ ( en theos eimi – enthousiasme ) of de directe relatie tot God moet plaats maken voor de ‘bemiddelde relatie’. En dit is precies de vraag in Deuteronomium. De bemiddelde relatie vraagt om een mediator, een tussenpersoon die de brug vormt tussen Gods openbaring en het volk. Hij zal interpreteren.  Hij doet dit als drager en als betrokkene op de Wet (van Mozes), hét charter van de Godsopenbaring, dat steeds opnieuw vraagt naar inzicht, toepassing, afweging, ethiek.  De leek, de profeet die God uit het midden van het volk doet opstaan, wordt een aangestelde profeet. Hij zal zijn werkelijke gezag ontlenen aan de wijze waarop hij die brugfunctie ter harte neemt.

Een prachtige passus. Modern, niet ? Een uit het volk aangestelde, echt van onderuit, wordt profeet. Niet aangesteld vanuit de traditie, de priesterklasse, niet vanuit hiërarchie. God spreekt door de mens-uit-het-volk die de Wet als referentie neemt.

Die prachtige basisinstelling verhindert echter niet de opkomst van valse profeten, uitwassen en overdrijvingen, de “evangelische” misbruiken, de onderlinge twisten en profeten-jaloezieën, de ego’s en alles wat zo pijnlijk menselijk is.  Er is nood aan uitzuivering. Dat ervaren wij ook zelf, hoe bijvoorbeeld mensen met een grote mond niet noodzakelijk een licht zijn. (Ik mag u de namen en de analyse besparen).

Hoe redden wij dus het mooie principe in concreto ? Hoe behoeden wij de rechtmatige vraag naar “waarheid”?  Helpt het evangelie van Markus ons? Jezus is een leek. Niet aangesteld. Eén uit het gewone, modeste volk. Uit de arbeidersklasse. Hij wil eerst leerling worden. Onderwerpt zich, laat zich dopen, aanvaardt het woord van Johannes, laat zich door mensen corrigeren en onderwijzen, probeert hun hart te bereiken. Hoe zullen wij dan nu het onderscheid maken tussen het ware woord dat licht geeft en het woord dat wel schittert maar verblindt?  Is Jezus zoveel echter dan alle anderen?

Theoretisch geraken we niet helder uit die vraag. Pilatus vroeg reeds: ‘wat is waarheid’ en er volgde stilte. Waarheid is altijd anders, schrijft D. Bonhoeffer. Een historicus baseert zich op feiten en op de poging die daarna te interpreteren. Een kerkjurist zal het Canon zoveel aanhalen, liefst uit de meest recente editie van het Kerkelijke Wetboek. Voor de psycholoog ligt de waarheid eerder in de sfeer van de duiding van de persoonlijke beleving. De postmoderne mens acht de waarheid veelvormig en zij beweegt, verschuift. F. Pessoa dichtte reeds : ‘In ons leven tallozen’.  En voor een groot deel van de wereldbevolking is de vraag naar waarheid deze: zal ik vandaag iets te eten hebben?

Jezus spreekt en handelt naar gelang de omstandigheden en de ontmoetingen.  Dat is zijn eerste klankbord. Hij houdt rekening met de mens, met de context, met de intenties. Zijn waarheid is dus relatie, zij glijdt tussen hem en de andere. Zij is daarom broos – omdat zij op dat moment, in die context, met die gegevens tot stand moet komen, omdat hij moet afwegen. Hij stelt zich enkel hard op tegen gebetonneerde waarheden van fanatici en cynici, omdat zij hùn waarheid vasthouden als een steen, omdat zij neigen te heersen, te overheersen, dus af te wijzen, uit te sluiten, te onderdrukken, en vooral omdat hun ‘waarheid’, hun gezag, geen rekening houdt met de menselijke kwetsbaarheid. De mens die de waarheid in pacht meent te hebben lijdt aan hubris: hij stelt zich aan als een god, overziet als een buitenstaander, onttrekt zich aan zelfkritiek.

Jezus vernietigt de onzuivere geest niet. Dat kàn hij niet. De demon is te sterk, soms een legioen. Kwaad vernietig je niet zomaar. Je kan het misschien een beetje uitstellen. De dood roei je niet uit. Die eindigheid moeten we in vertrouwen durven te erkennen en te belijden.

Jezus geneest heel bescheiden: ‘Ga weg, verwijder je’.  Hij kan de demon enkel wegduwen, een beetje doen opschuiven, zodat er in de mens opnieuw wat ruimte komt voor iets anders, voor adem bijvoorbeeld,  voor op-lucht-ing, een plek waar iets opnieuw kan bloeien, opstaan of verrijzen als je dat woord juister vindt.

Jezus’ broze autoriteit, zijn waarheid is genegenheid. Liefde, zelfs voor zijn vijand. Onvoorstelbaar?

Mark Butaye
31.01.2021