Feest van alle heiligen

By 31 oktober 2020november 8th, 2020Quarantainetijd

Lezingen en homilie

Lezingen op Allerheiligen

Matteüs 5, 1-12a
1 Toen Jezus de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2 Hij nam het woord en onderrichtte hen:
3 ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
4 Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
5 Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
6 Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
7 Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
9 Gelukkig de vredestichters,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
10 Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12 Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

Apocalyps 7,2-4.9-14

2 Ik, Johannes, zag in het oosten een andere engel opstijgen, die het zegel van de levende God had. De vier engelen die de opdracht hadden gekregen om schade toe te brengen aan het land en de zee riep hij met luide stem toe: 3 ‘Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid! Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen.’
4 Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël. 9 Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. 10 Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’ 11 Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze bogen zich diep neer voor de troon en aanbaden God 12 met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’
13 Een van de oudsten sprak mij aan: ‘Wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ 14 Ik antwoordde: ‘U weet het zelf, heer.’ Hij zei tegen me: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het lam.

Homilie bij het Evangelie van Matteüs 5,1-12a – Mark Butaye o.p.

De Nederlandstaligen in de menigte hoorden hem zeggen : « Zalig de armen van geest ». En de Franstaligen: « Heureux les pauvres de cœur ». Hij richt zich tot wie verdriet heeft, zachtaardigen, mensen die hunkeren en anderen die ijveren voor gerechtigheid. Hij spreekt tot slachtoffers, vredejongeren, zuiveren.

De liturgie gebruikt vandaag het woord “heilig”. Alle heiligen. “Heilig” klinkt spontaan alsof het zou gaan over de gestorvenen die postuum en na betaling een kerkelijke medaille kregen, een feestdag op de kalender, een getuigschrift van goed gedrag. Alsof de ene wel, terwijl de andere niet. Vieren we die subjectiviteit, dat menselijke oordeel ? Nee toch !

Jezus ziet veel breder, anders. Hij spreekt tot de levende in zijn blikveld. Of beter : in zijn blikveld komt wie hij ziet tot leven. Dat roept een jeugdherinnering in mij wakker, een vakantie bij mijn grootmoeder.
In haar mysterieuze huis vond ik op een dag in het salon, naast de schouw met grote en kleine familieportretten, een schoendoos, vol gedachtenisprentjes van overledenen. Nu eens een foto, dan alleen een naam, een kruis, een tekstje. Toen kwam zij naast mij zitten, grootmoeder, en bij ieder prentje dat ik vastpakte  vertelde zij iets, een herinnering, iets om te lachen, een naam en wie die of die was, de moeder of de zoon van, een anekdote, iets uit de familie.
Zo voerde zij mij binnen in het leven, in het grote land van een ontelbare menigte, niet triestig zoals wanneer wij gestorvenen betreuren.  Neen, ze vertelde heel gewoon, zonder trilling in de stem, op een manier alsof die lange rij — voor mij onbekende — mensen bij ons zaten en de kamer vulden met iedere keer een nieuwe warmte en met iets dat ik niet kan benoemen maar dat suggereert hoe alles en iedereen zijn juiste plaats had gekregen. Geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn. Een heilig moment was het, achteraf beschouwd. Ja zo zou je het kunnen noemen, een heilig moment, alsof er iets is afgerond, met rust vervuld, voltooid.

Behoren die schoendoosmensen tot die 144 duizend uit het boek van de Openbaring, die mensen van alle rassen en volken en talen, die menigte die niemand tellen kan en die komen uit de grote verdrukking en die in het aangezicht van het geslachte Lam zingen : “Eindelijk, Godlof, Gij die bevrijdt “ ?  Zijn zij heilig of zalig of heerlijk, omdat mijn grootmoeder hen toen zo mild benoemde en met warmte in leven riep ?   Is heiligheid een kwaliteit die wij aan mensen toekennen omdat we iets bijzonders in hen appreciëren?

De psalm zegt : ‘Heilig is het eenvoudige hart’.  Eenvoud is het hart dat is genezen. Het ligt aan de overzijde van de onrust, van het getourmenteerde, de vernietigende ambitie of de overrompelende passie.

Die overzijde, dat eenvoudige hart, die genezing, komt nooit vanzelf. Er is werk aan de winkel. Mijn vingers raakten met die prentjes geen helden aan. Ik vergat hun  namen en gezichten. Maar nooit vergeten, tot op vandaag, dat die mijmeringen ons stil maakten. Eerbiedig. Alsof wij ons hoofd wilden buigen. Vandaag, zovele jaren later, vermoed ik dat er toen, in grootmoeders hart, een kaars brandde.

Met de aanspreking “Zaligen ” of “Gelukkigen”  – Makarioi  in het Grieks – spreekt Jezus de mens aan die levend voor hem staat, de gebukten.  Niet de overledene, maar gij – u – mij – de mens die wil genezen aan het leven. Heilig, zalig of gelukkig is geen aangeboren talent. Het is niet een volmaakte toestand na onze dood. Het is een programma.

Want wat is genezen aan het leven anders dan: opstaan uit verdriet, uit knelling, verdrukking. Iemand die je met erbarmen ondersteunt.

Wat is genezen, helen of heiligen  anders dan: hevig hunkeren naar recht, het onmogelijke vastpakken, ploeteren als het lastig is, zie naar de mensen in de zorg vandaag, mensen die voltooiing zoeken … thuis laten komen. Echt helemaal thuis.   

En wat is heiligen anders dan: zich toevertrouwen aan een opening, aan een barst die licht doorlaat, aan een woord dat optilt en recht doet ?

Is het iets anders dan het levenslange altijd opnieuw herhalen en herbeginnen van barmhartigheid ?

Zo begrijp ik Jezus’ litanie. Als de brug van belofte over alle kwetsuren heen.

In een originele vertaling van Jezus’rede gebruikt de Frans-joodse André Chouraqui voor “Zalig zij / makarioi ” niet het klassieke en bijna afgezaagde “gelukkig” maar de uitdrukking : “ En marche, vous les pauvres” – “Vooruit, ga door, zet aan, jullie die … jullie die nu droef zijn, sta op en ga”.

Daarmee sluit hij aan bij de dynamiek die Jezus aanbiedt : Sta op en loop – in u huist de kracht – Gij zijt het zout – Kunt gij één uur met mij … ? Waarlijk, ik zeg u : zo’n groot geloof … –  Ga en …

Chouraqui grijpt met Jezus terug naar psalm 1 waar sprake is van een gelukkige man omdat hij vooruitschiet, op stap, de weg bewandelt van de Wet. Precies dààrom wordt hij een rechtschapene.

Makarios – gelukkig – is geen beate, onwankelbare toestand van zorgeloosheid, een pallieterachtig carpe diem of een onbekommerd genieten en cocoonen.

Makarios – gelukkig is de volle inzet en overgave. Die weg kan hard zijn, helaas ook met onschuldig bloed, als van een geslacht Lam. Die weg kan Godsverlatenheid zijn, het gevecht je verdriet niet te verzuipen maar langzaam afleggen, aanvaarden, doorworstelen.        

Mededogen hebben met jezelf.  Dan zijn we al een flink eind opgeschoten.

In “Uit het leven van een heilige” typeert Rainer Maria Rilke de heilige als de mens die de strijd met het leven aangaat – die angsten kent, amper te doorstaan – de strijd tegen zinverlies, die zijn hart opvoedt als een zoon en het groot brengt om te weerstaan aan duisternis.

En die finaal, alleen, woordeloos, zijn loutering in eigen handen neemt en toevertrouwen kan aan de bron van alle tederheid.

Die mens zal thuiskomen.  Alle mensen voltooid.

 Uit het leven van een heilige      
Rainer Maria Rilke. Neue Gedichte. Aus dem Leben eines Heiligen.
© Eigen vertaling Mark Butaye o.p. 25.10.2020

Hij kende angsten, die zodra begonnen
net als sterven zijn en amper te doorstaan.
Zijn hart het leerde langzaam dóór te gaan ;
hij bracht het groot, zoals je eigen zoon.

En niet te noemen noden kende hij,
de duistere, spelonken zonder morgen;
en gaf daarna zijn ziel gehoorzaam over
zodat zij zich, volwassen nu, kon leggen

bij haar bruidegom en heer – en bleef alleen 
teruggetrokken in zo’n oord
waar het alleen-zijn alles overdraagt
en woonde ver en wou geen enkel woord.

Maar nog voordien, na lange tijd en raad,
ervoer hij ook ’t geluk, zich in zijn eigen handen
neer te leggen, waarmee hij zo een tederheid
ontving die heel het wezen klaart.