Bij de 5e zondag van de veertigdagentijd

By 29 maart 2020april 4th, 2020Quarantainetijd

Lazarus, een vreemd en mooi verhaal. Niet altijd gemakkelijk, maar wel de moeite waard. Hieronder de tekst van Johannes en een overweging.

Johannes 11, 1-45

1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden
2 – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer.
3 De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’
4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
5 Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus.
6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was.
7 Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’
8 ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’
9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld,
10 maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’
11 Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’
12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’
13 Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was.
14 Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven,
15 en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’
16 Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’

17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie,
19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was.
20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn.
22 Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’
23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’
24 ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft,
26 en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’
27 ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’

28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’
29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe,
30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen.
31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.

32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen
34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’
35 Jezus begon ook te huilen,
36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’
37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’
38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening.
39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord.
42 U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’
43 Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’
44 De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’

OVERWEGING

Het verhaal van Lazarus is een buitengewoon en spectaculair verhaal: een man die al vier dagen dood is, leeft weer.
Dat zouden we wel willen, als iemand uit onze kring sterft. Als het nu eens kon, dat er iemand als Jezus kwam en het leven herstelt.
Maar toch denk ik meteen: dit kan niet letterlijk verstaan worden:
– Dat kan toch niet, of je zou de kracht van Jezus, van God een bovennatuurlijke werking moeten toekennen. Daar zijn we al een tijdje aan voorbij.
– Er is geen hoerageroep, als Lazarus weer leeft, er zijn geen indringende vragen, het leven gaat gewoon door.
– Het graf met die steen, de vrouw bij het graf, dat doet erg denken aan het verrijzenisverhaal van Jezus.
– En vooral: alleen Johannes brengt dit verhaal, andere evangelisten spreken er niet van, Paulus ook niet. Het kan toch niet dat de anderen zo’n straffe gebeurtenis vergeten zijn?

Het Johannesevangelie is rond 95-100 geschreven, zo’n 10-15 jaar na de andere evangelisten, en 60 jaar na de feiten, als er over Jezus al veel nagedacht en gefilosofeerd is. Zo komt het dat Johannes  een evangelist is die in beelden spreekt.

Het verhaal lijkt heel waarheidsgetrouw, met veel dialogen, alsof de woorden letterlijk aangehaald worden. Het is vlot verteld, het lijkt wel een huis- en tuingesprek met daartussen volop beeldrijke theologische uitspraken bv. Ik ben de opstanding en het leven.

Wij – nu – hebben enerzijds met de tijd verleerd om beeldrijk te denken, anderzijds doet de tekst er alles aan om het wonder te onderstrepen. Het wonder moet aantonen dat Jezus de Messias is. Dat is de clou van het Johannesevangelie: iedereen ervan overtuigen dat Jezus de Messias is, de lang verwachte gezalfde van God, de levende wegwijzer naar God, de mens die wij kunnen na-leven.

Over dit verhaal zal altijd wel een sluier blijven hangen, het houdt iets mysterieus, maar mij valt op hoeveel keer er woorden gebruikt worden over vriendschap:
            Uw vriend is ziek.
            Jezus hield veel van Maria en haar zuster.
            Onze vriend Lazarus is ingeslapen, zegt Jezus.
Jezus begon ook te huilen en de joden zeiden: wat heeft hij veel van hem gehouden.
Er is een speciale band tussen deze Marta, Maria, Lazarus en Jezus, ze hebben begrepen waarover Jezus het heeft, ze zitten op dezelfde golflengte.

De lichamelijke dood is voor de Joden een natuurlijke zaak. Ook wij weten: als een mens geboren is en leeft, is 1 ding zeker: hij sterft op een dag.
Jezus bedoelt nog iets anders met de woorden leven en dood: wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven.

Dit is een ander soort leven en dood: dood is de weg van Jahweh kwijt zijn. (Zijn naam betekent: ik zal er zijn.) Niet meer betrokken zijn op het project van de gerechtigheid en vrede en vriendschap, waar de bijbel voor staat. Dat is de echte dood. Leven is met hart en ziel inzetten op die nieuwe wereld en dus op Jezus, die daarvan de wegwijzer is.

Lazarus geloofde in Jezus, die in alles deed denken aan God. Wie in mij gelooft, zal nooit sterven, zegt Jezus En om dat te tonen, doet Jezus Lazarus leven.
Lazarus, kom naar buiten, zegt Jezus. Maak de doeken los, laat hem gaan.

Het leven, niet de dood. Dat wil Johannes laten zien in Jezus: geen steen zo zwaar, geen rouw en verdriet zo ondraaglijk, geen nacht zo donker, of god kondigt wegen tot nieuw leven aan.
Voor Johannes staat Lazarus voor het hele volk, dat met Jezus moet opstaan tot nieuw leven.

Het is geen nieuw beeld, Johannes  heeft het niet bedacht. In het boek Ezechiël spreekt God tot het volk Israël, toen ze uit Juda gedeporteerd waren naar Babylon. God zegt: ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen. Ik laat mijn volk niet verzinken in de dood.
Of psalm 103 zegt: Gij roept mij weg uit het graf.
In het verhaal van de verloren zoon (Lucas 15) zegt de vader over de zoon die terugkeert: hij was dood en is weer tot leven gekomen.
Dezelfde beeldspraak doorheen de hele bijbel. Tot leven komen, leven is je toevertrouwen aan het visioen.

Zo komen mensen weer tot leven. Zo wordt de naam van god geëerd, geheiligd.
En dat kan zijn:
dat wij een manier vinden om op te staan uit het gevoel van machteloosheid tegenover al wat misloopt, tegenover ziekte en naar oplossingen zoeken – samen,
dat wij betrouwbaar zijn,
eigenbelang ombuigen in een groter belang,
mekaar weer zien met ons hart, graag zien en zo tot leven wekken,
dat miserie en strijd het werkterrein zijn van God, waar hij ons roept,
waar iedereen tot leven kan komen, voorbij aan angst voor wat kan komen,
dat wij nu, maar ook straks als we uit quarantaine komen en richting moeten kiezen, meewerken aan een samenleving waar brood en recht en liefde is voor allen.
Dat zou pas spectaculair zijn.
(Greet Denayer)