14 maart, 4e zondag van de veertigdagentijd

By 13 maart 2021april 2nd, 2021Quarantainetijd

Een verhaal voor de kinderen en een overweging bij Johannes 3, rond ‘LICHT’.

Cathy vertelt een verhaal voor de kinderen:

Klik hieronder voor een leuk knutselidee:

Johannes 3,14-21
Jezus zei tot Nicodemus:
14 De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhooggeheven heeft, 15 opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft. 16 Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. 17 God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden. 18 Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon. 19 Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht. 20 Wie kwaad doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden. 21 Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet.’

Enkele gedachten

Soms is Johannes poëtisch. Maar dit stukje is toch eerder (leer-)stellig.
Samengevat:
God heeft de wereld lief.
Om de wereld te redden heeft hij zijn enige zoon gegeven.
Iedereen die in hem gelooft, gaat niet verloren maar heeft eeuwig leven.
Wie niet wil geloven, is veroordeeld.
En het oordeel is: wie kwaad doet schuwt het licht, haat het zelfs.
Wie oprecht handelt zoekt het licht en maakt Gods werk zichtbaar.

Wie bij dit alles enige terughoudendheid voelt, is niet alleen en niet de eerste. Is er nood aan polarisering? En heeft Jezus zo gesproken? In de derde persoon over zichzelf? Zichzelf voorstellend als enige zoon van God, enz…Ook de kerkvaders hebben naar verluidt geaarzeld om Johannes als 4de evangelie toe te voegen…
Maar we mogen er gerust in zijn: niet Jezus heeft deze dingen zo gezegd, maar Johannes (of de groep van schrijvers die wij zo noemen) heeft ze zo geschreven.
Johannes is het buitenbeentje van de evangelisten. Polemiek is zijn handelsmerk. Met vierkante stelligheid en met mensen en meningen lijnrecht tegenover elkaar, klinkt het als een verhaal van goeden en slechten: zij die wel geloven en zij die niet geloven – die Jezus ‘weigeren’. Dikwijls worden die laatsten aangeduid als ‘de Joden’, en het verhaal lijkt wel te zijn geschreven als provocatie van die groep.

Hoe komt dat?
Johannes schreef voor een kleine gemeenschap van Joden die Jezus als Messias beleden.  Aanvankelijk beleden ze dat gewoon binnen de synagoge. Maar later kwam het tot een breuk met de geloofsgenoten. Het mondde uit in een onverkwikkelijke strijd tussen joden en christen-joden. De christenen, een minderheid, werden eruit gezet. Met voor hen een hoop narigheid, vervolging en verschrikkelijke dingen als gevolg. Vandaar die heftige wij-zij stijl die de eigen identiteit moet onderstrepen en de eigen groep wil bevestigen in zijn keuze.
Dát weten, rekening houden met voor wie het geschreven is, is nodig om voor deze manier van spreken begrip op te brengen en om ook vandaag Johannes met sympathie te kunnen lezen.
Wat ook nodig is, en wat we in katholieke kring nog maar recent aan het leren zijn, is een vertrouwdheid met de Joodse bijbel, het “oude testament”. Het Jezusverhaal van Johannes is daarop geënt en kan niet los daarvan verstaan worden. De taal is bijzonder beeldrijk en aan elke letterlijkheid voorbij.
Een derde moeilijkheid: het Johannesevangelie is als een gedicht, een compositie. Je zou er niet mogen in knippen. Want pas in de loop van het hele verhaal worden dingen genuanceerd, worden ze uitgelegd en betrokken op hoe onze mensenlevens zijn, met het langzame leren en de moeizame evoluties die daarbij horen. Neem nu Nicodemus.

Nicodemus was een Joodse leider, een farizeeër. Zijn naam is geen toeval. Nicodemus betekent zoiets als “hij die overwint met het volk”. Nicodemus komt in de nacht bij Jezus. In de nacht: hij schuwt het licht. Dat hij Jezus opzoekt mag niet geweten worden door zijn collega-farizeeërs. Maar hij doet het toch. En hij heeft met Jezus een lang gesprek. Het gaat over opnieuw geboren worden. Geboren worden uit de Geest. Beeldtaal, die Nicodemus niet begrijpt. Nog niet. Dan volgt het stukje van deze zondag. Waarna Nicodemus het toneel verlaat. Voorlopig toch, want hij zal nog twee keer opduiken in het verhaal van Johannes.
Een eerste keer in de vergadering van farizeeën en schriftgeleerden. Daar neemt hij het voor Jezus op. Binnen de groep die Jezus naar het leven staat, trekt hij zijn mond open. Het levert hem volop kritiek. Maar hij doet het toch. (Joh. 7, 50-51. “Onze wet veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord is en als bekend is wat hij gedaan heeft?” )
Een tweede keer zien we Nicodemus terug op het einde van het verhaal. Dan is hij er bij om het lichaam van Jezus te balsemen. Met zijn derde optreden in het verhaal  treedt hij volop in het licht – het is zijn ‘derde dag’.
Nicodemus is in de loop van het verhaal veranderd. Een verschil van nacht naar dag. Zo iets kan met mensen gebeuren. Nicodemus, ‘hij die overwint met het volk’, is bovendien geen alleenstaand geval. Zo kan het ook met ons gebeuren. In een genuanceerd verhaal van groeien, stap na stap, met momenten van sympathie, herkenning, van identificatie, van engagement, om als nieuwgeboren mensen toe te komen aan wat heet: Licht.

Nieuwgeboren, als wij-mensen-met-elkaar, want dat is nóg een aspect van Johannes: wat verteld wordt met individuele personen – de genezing van de blindgeborene, de opwekking van Lazarus,..- is beeld voor wat te gebeuren staat met het hele volk. Dat wordt ook verbeeldt door het eerste zinnetje van vandaag:
De mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft.
Het gaat terug op een verhaal uit het bijbelboek Numeri. De Israëlieten zijn weggetrokken uit Egypte en al een tijdje onderweg. En dan komen er van die momenten dat de vrijheid toch wat moeilijker valt dan het slavendom. Kiezen is verliezen – vleespotten en andere zekerheden. ‘Konden we niet beter sterven in Egypte?’. In het zog van die verleiding (dodelijk voor echt leven) vallen ze ten prooi aan giftige slagen. Gelukkig heeft Mozes een magische oplossing. Hij richt een paal op met daarop een koperen slang. Wie daar naar opkijkt wordt genezen. Zo kunnen ze als volk weer verder.

Met dit mythologische beeld houdt Johannes ons voor dat we moeten opkijken naar Jezus. Als tegengif voor invloeden die dodelijk zijn voor menselijkheid, die onze verhoudingen verzieken. Om te genezen van heimwee naar onvrijheid, van de dood –  leven dat geen leven is.   

Opkijken naar Jezus. Het licht van deze ‘modelmens’ – ‘het vleesgeworden Woord’ – toelaten in onze levens. Als ijkpunt – om te weten hoe het met ons kan worden, wij-mensen-met-elkaar.

Onze spiritualiteit, de manier waarop we dit verstaan en vorm geven is cruciaal. Ze zal gericht zijn op respectvol samenleven, op ruimte voor en vreedzaam omgaan met tegenstelling en verschil. Ze zal van harte bijdragen aan mensenrechten en democratie en ze zal de vruchten van wetenschap en verlichting omarmen.   
Zoniet, kan ‘geloof’ desastreus zijn. Zie wat is – vandaag. Zie onze geschiedenis.
We kunnen en hoeven onze geschiedenis niet te herschrijven.
We moeten ook Johannes niet herschrijven. Ook al zijn sommige van zijn formuleringen voor ons vandaag niet meer te verdedigen. Dat hoeft ook niet. We kunnen van hem vooral de vrijheid leren én de opdracht om (telkens opnieuw) onze eigen formulering van christenzijn te vinden. Daartoe geeft hij de poëtische aanzet, in zinnen die we zeker niet willen missen – zoals bijvoorbeeld  deze:
In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
In het Woord was leven en dat leven was het licht voor de mensen.
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. (Joh. 1 –  1,4,5)