Skip to main content

Viering op zondag 6 november 2022 om 11 uur

By 18 september 2022Activiteit

Woorddienst

Lucas 20, 27-38

27 Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar hem toe en vroegen hem: 28 ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. 29 Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; 30 daarna trouwde de tweede broer met de vrouw 31 en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. 32 Ten slotte stierf ook de vrouw. 33 Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 34 Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, 35 maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. 36 Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. 37 Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. 38 Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.’

II Makkabeeën 7, 1-2.9-14

1 Een andere keer werden zeven broers en hun moeder gearresteerd en op bevel van de koning met gesels en riemen gemarteld om hen te dwingen verboden varkensvlees te eten. 2 Een van hen vroeg namens hen allen: ‘Waarom ondervraagt u ons? Wat wilt u van ons te weten komen? We zijn eerder bereid te sterven dan te breken met de tradities van onze voorouders.’

(3 De koning ontstak in woede en gaf opdracht om grote ketels en pannen op het vuur te zetten. 4 Zodra die goed heet waren geworden, liet hij bij degene die gesproken had zijn tong uitsnijden, de huid van zijn hoofd stropen, zoals dat bij de Skythen gebruikelijk is, en zijn handen en voeten afhakken – dit alles voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. 5 Daarna werd hij, of wat er van hem over was, op bevel van de koning in een pan op het vuur gezet en levend gebraden. Terwijl uit de braadpan een dikke walm opsteeg, spoorden de broers en hun moeder elkaar aan om de dood moedig onder ogen te zien: 6 ‘God, de Heer, ziet ons en zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mozes verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk tegen Israël getuigt: “Over zijn dienaren zal hij zich ontfermen.”’ 7 Nadat de eerste broer op deze wijze om het leven was gekomen, werd de tweede voorgeleid om te worden vernederd. Ze stroopten zijn huid met haar en al van zijn hoofd en vroegen: ‘Zou je niet liever eten wat je wordt voorgezet, in plaats van je lichaamsdelen een voor een te laten pijnigen?’ 8 ‘Nee!’ antwoordde hij in zijn moedertaal, en daarom onderging hij dezelfde folteringen als zijn broer.)

9 Zijn laatste woorden luidden: ‘Ellendeling! U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.’

10 Daarna was de derde broer aan de beurt. Hij stak desgevraagd onmiddellijk zijn tong naar buiten, bood onverschrokken ook zijn handen aan 11 en zei fier: ‘Uit de hemel heb ik ze gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van hem hoop ik ze weer terug te krijgen.’ 12 De koning en zijn gevolg stonden versteld van de geestkracht van deze jongeman, die zich van de pijn niets leek aan te trekken.

13 Toen ook hij dood was, lieten ze de vierde dezelfde gruwelijke martelingen ondergaan. 14 Toen hij op het punt stond te bezwijken, zei hij: ‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken. Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’

II Tessalonicenzen 2, 16-3,5

Broeders en zusters16 Mogen onze Heer Jezus Christus en God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft getoond en ons door zijn genade blijvende steun en goede hoop gegeven heeft, 17 u aanmoedigen en sterken in al het goede dat u doet en zegt.

1 Voor het overige, broeders en zusters, bid voor ons. Bid dat het woord van de Heer zich elders even snel verspreidt en evenzeer geprezen wordt als bij u. 2 Bid ook dat wij worden behoed voor slechte en kwaadaardige mensen, want niet iedereen is betrouwbaar. 3 Maar de Heer is trouw, hij zal u kracht geven en u tegen het kwaad beschermen. 4 De Heer geeft ons de overtuiging dat u doet wat wij u opdragen en dat zult blijven doen. 5 Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God en de standvastige trouw aan Christus.