Skip to main content

Zo klonk de paaspreek.

Bij Matteus 28, 1-7

De eerste dag. Het licht breekt door. Matteus brengt de eerste bladzijde van de bijbel in beeld: God die licht roept boven de chaos.
Er is ook een aardbeving en een flitsende bliksemengel in sneeuwwit kleed.
Dat doet denken aan de berg Sinai, toen Mozes de tien woorden kreeg. Of aan dat andere bergmoment in Matteus, met Jezus in gesprek met Mozes en Elia.
In ieder geval laten zulke dingen weten dat Gods aanwezigheid in het spel is. Belangrijk, want zonder God geen opstanding!

De engel weet van aanpakken. Hij rolt de steen weg en gaat erop zitten. En hij heeft een boodschap: vanop de grafsteen kondigt hij af wat we moeten weten als we Jezus zoeken en als we willen begrijpen wat opstaan uit de dood betekent.

Jullie zoeken Jezus, de gekruisigde: hij is niet hier. ‘Hij is opgestaan uit de dood en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien’.

Naar Galilea dus. We herinneren ons dat Jezus daar naartoe trok toen hij hoorde dat Johannes de doper gevangen genomen was. Galilea, in Jeruzalem werd het smalend afgedaan als ‘Galilea van heidenen’, maar Jezus vond juist daar een schuiloord en een werkterrein. Hij hield er zijn ‘Bergrede’ en pakte uit met zijn toekomstperspectief dat hij noemde: ‘koninkrijk van de hemel’. Dat is een nieuwe verhouding onder mensen. Dat legde hij uit en ook dat dit de betekenis was van zijn godsdienst, van het joodse geloof, van de wet, de tien woorden die Mozes kreeg.  

Voor hen die arm van geest zijn, nederig van hart, voor hen die treuren, die zachtmoedig zijn, vrede zoeken, voor hen die vanwege de gerechtigheid vervolgd worden … voor hen is dat koninkrijk van de hemel. Zulke dingen had hij gezegd.
En ook: jullie zijn zout, jullie zijn licht. Als niet jullie … wie dan wel?
Of nog: er is jullie gezegd: je moet je naaste liefhebben en je vijand haten. Maar ik zeg jullie: heb je vijand lief en bid voor wie jullie vervolgen.
En ook hebben we onthouden: ‘behandel anderen zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van Mozes en de Profeten’.

Van het graf in Jeruzalem worden we dus terug daar naartoe gestuurd, naar Galilea, naar waar Jezus leerde en leefde hoe het anders kon. Naar het visioen waarvoor hij opkwam en waarmee hij uiteindelijk door moest gaan tot in Jeruzalem, het centrum van de politieke en religieuze macht. En waarvoor hij vermoord werd. Hij zag dat aankomen, maar hij is niet halverwege teruggekeerd. Hij is doorgegaan.
Dat was zijn doortocht, zijn Pascha.

‘Ga naar Galilea’ staat voor veel: het roept een hele wereld op van toewijding en trouw. En ja, daar, daarin, hebben de leerlingen hem gezien. En ze zijn hem blijven zien. Hij is hun leven, hun werkelijkheid geworden, de grond van hun doen en laten. Zij – en wij – hebben kunnen zien dat zijn leven en zijn trouw aan het visioen de gestalte zijn van Gods aanwezigheid.

Van God, die doet opstaan, die het leven maakt ten leven, die pijn en puin dwaasheid noemt en onrecht, en die huilend staat naast wie werden gebroken.

Die God is geen God van winnaars.
Door de bril van winnaars bekeken, heeft Jezus het pleit verloren. Is hij terug naar af, dood en begraven, in de stilte van het graf. Maar voor wie hem zoekt, wil kennen, in zijn spoor wil leven, heeft dat dus niet gewerkt. De stilte van het graf is gebroken.

Ik hou van dat voorzichtig spreken over Pasen.
Het triomfantelijke ‘Jezus is opgestaan. Hij heeft de dood overwonnen!’, ligt me niet. 
Het gaat voorbij aan de realiteit en doet afbreuk aan de moeizaamheid van opstanding en wat het kan kosten. Het maakt het zich eigenlijk te gemakkelijk en het klinkt teveel als ‘wat de mensen willen’. Daarvoor werd, elders in Matteus, Petrus nog streng teruggefloten: ‘ga terug, achter mij, satan, jij denkt zoals de mensen willen en je zou me nog van de goede weg afbrengen  (MT 16, 23).

Willen winnen, de sterkste zijn, de grootste, de beste, de slimste, de mooiste, de machtigste, de rijkste…we zien elke dag waar dat toe leidt: toekomst die vernietigd wordt. Blijde boodschap zit daar niet in.  

‘Geen toekomst zonder kleine goedheid’ is de titel van het boek van Roger Burggraeve over het denken van Levinas. Het beoogt ‘een genereus samenleven in verantwoordelijkheid’. Ik versta dat helemaal in de geest van de Bergrede en het  ‘koninkrijk van de hemel’ van Jezus.

Die kleine goedheid, la petite bonté, wint nooit, maar wordt ook nooit overwonnen.
Het leven van Jezus, zijn mens voor de mensen zijn, zijn trouw tot het uiterste is geen klein ding. Het is indrukwekkend groots en het verandert alles.   
Toch is het ‘kleine goedheid’. Want het goede dat het kwade zou overwinnen is zelf het kwade geworden.
Goedheid, hoe groots en edelmoedig ook, zal altijd ‘kleine goedheid’ zijn. Alleen dan kan ze verschil maken in de wereld van winnaars.
Het is een goedheid die zichzelf in vraag stelt, bewaakt, die zich bewust is van de kiem van geweld die ook in het goede schuilt.
Nadenken dus en zichzelf bevragen, telkens opnieuw, omzichtig omgaan met het eigen gelijk – de mening die we moeten hebben en vormen én verdedigen, omzichtig omgaan met het stuk macht dat we allemaal hebben – en eigenlijk moeten willen hebben, kijk naar Jezus! –  in de Bergrede heet dat ‘arm van geest’ zijn: zorgen dat het klein genoeg blijft om instroom toe te laten van God, van God die leven maakt ten leven.

Heeft Jezus de dood overwonnen? Ze is er nog, de dood. Maar ze heeft hem niet overwonnen. Zijn licht is niet gedoofd.
Zo lees ik het ook in Johannes, in die ene zin waarvoor hij minstens een nobelprijs verdient:
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.  In dat licht mogen wij opstaan en leven!  Alleluja! 

Michel Goossens