|
Pagina 3 van 5
2. De lezingen en de preek
Een goede duur voor een preek is, denk ik, een tiental minuten. Het is beter te stoppen voor de mensen je moe zijn, dan als ze al stilletjes beginnen uit te kijken naar het einde.
Wij hebben de lezingen tijdens de voorbereiding gelezen en voor onze ogen gehad, wat toch betekent dat we alles twee of meer keren gelezen hebben. De luisteraar hoort ze maar één keer. Het is daarom bij sommige teksten zeker niet overbodig nog eens kort te vertellen wat er stond of hier en daar een zin nog eens aan te halen. Ik merk aan mezelf dat ik niet alles van de eerste keer naar waarde schat. Soms ben ik zelfs gewoon even verstrooid waardoor ik een stuk mis.
Preken is spreken. En dat is – voor bijna iedereen - een moeilijke opdracht. Ook ik vind mijn blad met geschreven tekst een veilig houvast als ik voor de micro sta. Toch moet het – weliswaar op termijn - de bedoeling zijn om ons publiek toe te spreken. Het is boeiender om naar een verteller te luisteren dan naar een voorlezer. Ook onze intonatie is rijker en gevarieerder als we spreken dan als we voorlezen.
We schrijven onze preek dus op. Het gevaar daarbij is dat we een schrijftaal hanteren die we daarna in de mond gaan nemen. Dat kan de directheid van de taal in gevaar brengen en de betrokkenheid van het “publiek” ondermijnen. En dat is toch net wat we niet willen. “Passivitis”, het overmatig gebruik van passieve vormen (Er wordt gezegd…), is daar soms een symptoom van. Het is dus, denk ik, de bedoeling dat - als we dan schrijven - we dat doen in spreektaal.
Een vraag die daarbij in ons achterhoofd kan spelen is: is dit interessant om te horen, interessant genoeg om er aan toe te voegen? Maakt dit mijn toespraak niet nodeloos lang? Preken is vaak de moeilijkste opdracht. Je hebt er het meeste werk aan. En toch is het genre “preek” het genre dat we het best kennen. Gedachten formuleren, ideeën overbrengen, we oefenen het de hele dag. Actief als we discussiëren, als we iets uitleggen, en passief als we kijken naar het journaal, Ter Zake, Panorama of luisteren naar het nieuws of informatieve programma’s. Het sluit erg goed aan bij een schoolsituatie, iets waar we meestal goed mee vertrouwd zijn. Ook de gespreksstof van de voorbereiding, levert meestal direct bruikbaar materiaal voor de preek.
Het zeer concrete gevaar daarvan is dat -als we niet uitkijken - we van de vier onderdelen van een woorddienst een preek maken: de inleiding wordt een preek, waarin de eerste spreker al zijn bedenkingen over de lezingen formuleert, voor die gelezen zijn; de preker preekt, en die doet daarmee wat zijn opdracht is, de derde spreker voegt in het dankgebed nog een interpretatie toe en de afsluiter toont zijn bezorgdheid voor een goede viering ook in een afsluitend preekje.
En dat allemaal omdat we zo geweldig ons best willen doen om toch maar een goede en interessante viering te brengen met genoeg inhoud.
Wat de inhoud betreft: schriftuitleg is hier op zijn plaats. De bijbel is geen gemakkelijk boek dat je vanzelfsprekend en vanuit je buik kunt begrijpen. Je moet een aantal dingen weten om de teksten te kunnen plaatsen: gewoonten, gebeurtenissen, m.a.w. de context van toen en de betekenis ervan. Die informatie kun je in boeken en op internet vinden.
Exegese hoort hier dus thuis. Het is zelfs niet altijd nodig om dan zeer concreet te worden. Een terugplaatsen in de context kan de teksten zo sterk laten spreken dat de creativiteit van de toehoorder ruim voldoende is om het actualiteitsgehalte zelf in te vullen. Toch is er ruimte voor een “getuigend” spreken (“ik herken dat in…”) of om vragen te stellen en zo de reflectie te stimuleren. Voor toehoorders is het interessant te weten wat jij denkt en niet alleen wat er zoal gedacht wordt.
Verder is het natuurlijk belangrijk dat er een logische opbouw zit in je verhaal, zodat de toehoorders stap voor stap kunnen volgen.
|